Tot halverwege mijn dertiende levensjaar kon ik aardig paardrijden.
Ik reed zonder zadel dwars door het bos en over het strand. Ik deed mee aan dressuurwedstrijden en eindigde steeds hoger. Juist toen ik begon te denken aan een carrière als ruiter, ging het mis. Ik moest een brief posten en nam de hond mee. Toen ik de stoep afstapte met de aangelijnde hond twee meter voor me, verscheen een brommer uit het niets. Hij knalde in volle vaart tegen de strakstaande riem. Ik viel achterover tegen de straatstenen. Een intense pijn en het licht ging uit. De hersenschudding was hevig en hield me maanden op bed. Paardrijden mocht niet meer. Toen ik hersteld was, overleed mijn hond. Zijn schedelbreuk was al die tijd onopgemerkt gebleven.